De Verliefde Aardbei
’t Was op ’n dag in mei,
de lucht was hemelsblauw,
dat jij heel zacht tegen me zei:
“M’n schat, ik hou van jou“.
Ik wist echt niet hoe ik ’t had,
was danig uit m’n doen.
Nooit eerder noemde jij mij “schat”.
Ik was nog veel te groen.
Toen kuste jij mij op m'n mond,
ik moest er flink van blozen.
Jouw rode wangen, zo mooi rond
waren zachter dan frambozen.
Ik had het heel erg naar m’n zin
met jou als Zomerkoning.
Jij vroeg mij als een Koningin.
We vierden onze kroning.
Het liefst was ik met jou alleen
om lekker lang te vrijen.
Met al die pottenkijkers om ons heen
lukt dat niet goed daar bij je.
Maar opeens gebeurde er wat.
Ik hoorde jouw wenen
en voor ik ’t in de gaten had
was jij ineens verdwenen.
Tóch begrijp ik ‘t niet goed,
dat dat plukken zo maar mag.
Waarom nou, want we zijn toch zoet.
Pluk gewoon de dag!